Triode Dick's Page
Bill
...Een nieuwe KT88 push pull versterker...
deel 3

update: 17-11-2004

 

De eerste versterkende trap...

heeft een 6 of 12SN7 buis gekregen (Op de foto is dat de buis in het midden, met het rode voetje). Beide variaties zijn mogelijk, de buis met 6,3 volt gloeispanning, de 6SN7, of de 12,6 volt versie, de 12SN7. De buizen zijn op de gloeispanning na identiek. Heb je nog mooie 12SX7 buisjes liggen? Kun je die gewoon gebruiken, erg mooi buisje.

In principe zijn hier wel meer mogelijkheden, zoals de oude triodes als de altijd mooie ‘76’. Waar echt streng op gelet moet worden is dat de anodespanning goed staat omdat die cruciaal is voor de gelijkstroominstelling van de direct gekoppelde daaropvolgende fasedraaiertrap. Zorg met de juiste anode en kathodeweerstanden dat de spanning op de anode, of anders gezegd: het stuurrooster van de ECC99 fasedraaier op de juiste spanning komt.

Misschien vind je het visueel aantrekkelijker om er een noval buisjes als de ECC82 te gebruiken (zelfs een ECC88 kan er nog binnen zijn boekje gebruikt worden). Geen punt dus. Ik ben zelf niet zo’n liefhebber van de laatstgenoemden, maar daar gaat het niet om. Ik ben niet pur sang een tegenstander van de ECC82, ik vind wel dat er veel te veel kaf onder het koren zit, wat het niet makkelijk maakt om tussen dit type buisjes net de mooie te vinden die gelijkwaardig zijn aan de kwaliteiten van een mooie USA 6SN7. Daarbij zijn vandaag de dag 12SN7’s nog goed te vinden tegen heel redelijk geld. De hedendaagse Chinese en Russische equivalenten van de 6SN7 vind ik persoonlijk niet veel soeps. Een mager aftreksel van de ‘real stuff’. Om meteen het gras voor de voeten weg te maaien van mensen die nu weer denken dat ik een hekel heb aan ALLE Chinese en Russische buizen… Flauwekul! Ik vind dat er anno nu zeker wel mooie buisjes uit die contreien komen. Met name in China is de kwaliteit van enkele fabrikanten niet meer vergelijkbaar met de rommel die daar begin jaren 90 vandaan kwam. Toen het glas na enkele tientallen uren gebruik al bruin in de kop werd. Dat zie je niet meer bij moderne buizen van Valve Art en Full Music. Deze fabrikanten zijn meer en meer trendsetters geworden, met betrouwbare kwaliteit (eind) buizen. Maar die herstempelde 6SN7’s wil ik niet op mijn versterkers…


De behuizing...

De kast is weer geheel volgens mijn huisstijl gemaakt. Mooie houten omlijsting met een stevige koperplaat aan de bovenkant en een geperforeerde plaat aan de onderkant. Ik houd er van om de buizenbakken een retro uiterlijk mee te geven. Maar laat je niet tegenhouden als je zelf meer in een andere vorm behuizing, een gesloten kast bijvoorbeeld, ziet, al was het maar om grijpgrage kinderhandjes geen kans te geven. Maar zorg wel ten alle tijden voor een goede ventilatie. Flink wat gaten in de onderkant van de kast en een geperforeerde bovenplaat moeten de buizen tegen oververhitting beschermen. Ik had vroeger zelf een stereoversterker met 8 EL34 eindpitten, in een 19” kast. Met twee rustig draaiende ventilatoren bleef de boel aangenaam op temperatuur. Het trok wel enorm veel stof de kast in, wat regelmatig gebruik van de stofzuiger noodzakelijk maakt.

De bovenplaat van ‘Bill’, is een 2 mm dikke koperplaat, 420 mm breed en 350 mm diep. De drie trafo’s staan 90 graden gedraaid ten opzichte van elkaar op het achterdek. De twee smoorspoelen zijn in de kast gebouwd, onder de UGT’s. De dikke 500 µF zijndoor het chassis gemonteerd, met een bijpassende beugel. Ik heb ze zo dicht mogelijk bij de UGT geposteerd, om onnodig lange bedrading te vermijden. Dat is ook met de overige voedingsontkoppeling gedaan. Zoals je ziet zitten de beide dubbel condensatoren voor de ontkoppeling van de voortrap en fasedraaier heel dicht bij de buisjes die daar voor ingezet zijn.

De verdere opbouw...

Hoe je het ook went of keert, eerst moet er altijd een dagje ‘hakke en zage’ op de kalender worden gezet. Om alles zwevend met luchtankers aan elkaar te hangen is ook geen optie, de handen uit de mouwen dus... Er moet getekend, geboord, geponst, gevijld, geschuurd, ontvet en gespoten worden. Zo achter elkaar geschreven lijkt het een operatie voor het ‘Mission impossible team’ van Tom Cruise, maar als je ’s morgens begint, je jezelf niet te veel van het werk laat afleiden (valt niet altijd mee, geef ik toe...), ligt er ’s avonds een vers gespoten chassisplaat voor je, met een mooie houten lijst die glimt van de boenwas. Een voordeel is dat de houten kast plus passende boven en onderplaat als kant-en-klaar geheel kan worden aangeschaft, voor een bedrag waar je niet zelf voor wilt gaan broddelen, of je moet een redelijk geoutilleerde hout en mechanische werkplaats thuis hebben.

Bedenk wel dat het de behuizing is waar je, als het goed is, jarenlang tegen aan kijkt. Maak er een net stuk werk van. Is evenveel werk als een knoei-maar-wat-aan-voor-een-knaak rommelkast.

De gaten, daar gaat het dus om. Ik maak ze zelf met een paar trekponsen. Die dingen zijn me goud waard. In koper en aluminiumplaat hebben ze weinig te lijden en gaan ze vele jaren mee. In RVS kun je ze in korte tijd vernielen, daar kan ik ook over meepraten…ahum… Mooi spul, maar mij te taai om thuis te bewerken.
Een andere optie is een meertrapsboor. Als je van plan bent om in de toekomst je buizen DIY hobby meer invulling te geven is het de moeite en kosten waard om wat te investeren in dit soort gereedschap. Met drie ponsen: 22,5 mm, 27 mm en 37 mm kan ik alle soorten versterkers van buis en condensatorgaten voorzien. De JJ en Black Gate elco’s bijvoorbeeld, die passen in hetzelfde 37 mm gat als nodig is voor een UX4 buishouder voor een 300B triode.

Zoals je ziet is de versterker als eindversterker gebouwd, dus zonder ingangskeuze en volumeregelaar. Die zijn wel zondermeer in te bouwen. Als je een geïntegreerde versterker wilt, met deze regelaars er op, kijk dan even bij de Annastasia versterker hoe het daar gedaan is. De ingangsgevoeligheid van Bill is ruimschoots voldoende om een CD-speler of tuner aan te sluiten. Zelfs als er tegenkoppeling wordt gebruikt.
Ik moet in mijn eigen installatie, met gebruik van de Cleo V voorversterker, de ingang verzwakken met een spanningdeler. Anders wordt het gebruik van de volumeregelaar wel heel zenuwachtig omdat na een paar klikjes van de stappenvolumeregelaar al een oorverdovende geluidsdruk wordt gehaald. Een bijkomend nadeel is dat alle brom en ruis resten uit de voorkring mee versterkt wordt, wat niet de bedoeling is. Ik heb de spanningdeler zo gemaakt dat ik dezelfde ingangsgevoeligheid heb als bij mijn andere eindversterkers. De versterker heeft 250 mV nodig voor maximaal uitsturen, als er geen tegenkoppeling wordt toegepast. Met de tegenkoppeling die ik probeerde ging de ingangsgevoeligheid omhoog naar 0,8 volt. In de praktijk is daar goed mee te werken, ook als de versterker als geïntegreerd, met volume en keuzeschakelaar, wordt gebouwd.

De verdere schakeling…

De JJ ECC99 wordt dus door de 6SN7 in toom gehouden. Deze ECC99 heeft een zijdeachtige klank, met een mooie open detailweergave karakter, die mezelf vaak doet denken aan een ander favoriet buisje: de ‘76’. Maar dan wel met Dr Martens boots aan. Wat de ECC99 voor heeft op de 76 is zijn veel lagere inwendige weerstand (Ri), en hogere versterkingfactor. De Ri maakt een strakke aansturing van de KT88 eindtrap mogelijk zonder dat er nog eens gebufferd moet worden voor een laagohmige aansturing. Je ziet in het schema dat de anodeweerstanden ook relatief laag zijn. Er is ook geen spoor van begrenzing zichtbaar in de hoge frequenties. De stuurtrap overtreft de al zeer breedbandige uitgangstrafo met verve in eigen breedbandigheid.


Bij de eerste proeven met de schakeling liet ik een hogere stroom door de ECC99 en 6SN7 lopen, wat veel hitte oplevert, maar geen beter gedrag. De meetresultaten waren niet wat ik verwacht had en gehoormatig bleek het geluid niet lekker los en vrij van stress te zijn. Ik las toevallig een DIY bijlage van het Engelse blad Hifi World en mijn oog viel op een versterker waar ook een Schmitt fasedraaier gebruikt wordt gebruikt. Daarin de KT88 eindtrap aangestuurd met een 5687, die op zijn beurt met een pentodebuisje in de eerste trap van spanning wordt voorzien en zijn instelling krijgt. In grote lijnen is dat niet zo veel anders dan de 6SN7/ECC99 combi. Ik ben toen eens met die instellingen aan de slag gegaan. Terugschakelen hoort ook bij de ontwikkeling van apparatuur.

Op de foto hierboven zie je 4 verschillende SN7 buisjes. Van links naar rechts: RCA 5692, General Electric 6SN7GTB, RCA 6SN7 en 12SN7. Het enige verschil tussen de laatste is de gloeidraadspanning van 6,3 volt en 12,6 volt. De 12SN7 is wel veel voordeliger in aanschaf.

Dat ging een stuk relaxter...

De 6SN7 heb ik wat sympathieker ingesteld, wat de levensduur erg ten goede zal komen, en ineens klikte alles op zijn plek. Een mooie royale uitgangspanning, een duidelijk beter geluid én nette vervormingcijfers. Het mooie is dat de voor en eindtrap elkaar perfect aanvullen en een erg mooi harmonisch spectrum laten zien. Geen piekerige oneven harmonischen en ontbrekende even harmonischen.

Dat is een gegeven waar vaak overheen wordt gelopen als onbelangrijk. Niets is minder waar. Een mooi vervormingspectrum is bepalend voor het totale karakter van het geluid. Net zo min als een single ended versterker een overdreven voorkeur moet hebben voor even harmonischen, mag een push pull versterker zich niet doen gelden in het geheel uitdoven van de even en zo maar wat pieken op de oneven d3 resten. Een versterker met een te duidelijke voorkeur voor de laatste zal een kille bries over het geluidsbeeld leggen. Ik stel het misschien wat zwart/wit om het duidelijker te maken, maar wie er zelf ervaring mee heeft herkent het direct.

De eindtrap staat voor ongeveer 20 watt in klasse A geschakeld. Daarboven gaat het over op de ‘AB’ mode. De overgang is op de spectrum analyser te zien aan een geleidelijk oplopen van de oneven harmonischen. Netjes en onschadelijk. Je luistert met het ruim aanwezige puur klasse A vermogen 99% van de luistertijd naar het gedeelte waar de versterker op zijn allerbest is. Tussen 20 en 50 Watt is het nog steeds een mooie versterker waar niks uit de hand loopt. En mocht je echt continu een gemiddeld vermogen van 30, 40 Watt nodig zijn om op luisterniveau te komen, dan is er wat mis met je oren of dreigt dat in de nabije toekomst wel te gebeuren. Ligt het aan je speakers, zijn die echt zó hongerig, wacht dan liever op grote broer Bob…


Ik merk wel dat een versterker als Bill me gemakkelijker de volumeknop wat verder open laat draaien. Het gaat allemaal zo makkelijk. Grote pieken worden met speels gemak genomen. Matallica, Black Sabbath, Dream Theater, vanmorgen nog het eerste album van Boston, het krijgt de versterker niet aan het blozen. Maar ook flinke uithalen in klassieke muziek niet, daar kwam ik gisteravond achter, met een SACD sampler van Channel Records in de speler. Daar staan een paar heftige dingen op, die ik normaal toch minder volumineus uit de speaker laat denderen. Ik zat te ver van volumeknop af om snel in te grijpen. Mijn oren protesteren duidelijk eerder dan Billie. En dat geeft toch wel weer een kick…haha…

Maar bovenal...

Die allereerste Watt, die ultrabelangrijke 'kleinste' Watt, die zondermeer het er meest toe doende Watt. Hoe doet Billieboy het daar?
Waarom is die eerste Watt zo belangrijk? Omdat daar alle ruimte informatie van de muziek zit, alle akoestische zuchtjes en reflecties in de ruimte waar de muziekanten spelen. Als daar het oplossende vermogen (heeft niks met uitgangsvermogen te maken) te kort schiet, heb je een kl*teversterker en mag je vergeten dat je verschillen kunt horen tussen bijvoorbeeld CD en SA-CD. Al het avontuur verdwijnt uit de muziek als de weergave van de miniwattjes niet deugt. Dat heb ik al zo vaak bij matige versterkers gehoord. En moet ik er nog bij vertellen dat het vaak om solid state versterkers ging? Tuurlijk, ik preek voor eigen parochie, maar ik heb zegge en schrijve maar een enkele solid state bak thuis gehad die me de voordelen van SACD en Vinyl (ook met een hoofdletter) echt overtuigend bloot kon leggen. Eentje (en een hele prijzige) maakte van alles dezelfde brei. Ik kon niet eens het verschil horen tussen een CD en een simultaan draaiende DVD-A versie van een album. En ik kan je verzekeren, dan is er wat niet in de haak.

Bill laat me alle voordelen van de ‘hires’ media en Vinyl ervaren. Als er net voor de muziek begint de ruimte al begint te ademen, de spanning al opgebouwd wordt voor de eerste noot komt, weet ik dat het goed zit. Dit is iets wat met de oude CD bijna niet mogelijk is. Vergelijk het met een foto met veel zon en schaduw en de laatste helemaal dicht loopt, omdat de afdruk niet het contrast kan overbruggen dat het negatief in zich heeft, zodat oom Johan helemaal verdwijnt in de duisternis. Een op Kodachrome dia geschoten plaatje en geprojecteerd op een scherm laat in die schaduw nog wel van alles te zien, ook ome Johan, die toch duidelijk wel gefotografeerd is…

Ik zie al fronsende blikken: ‘Maar als Bill zo goed is, zijn dan Attilla, Goliath en ook Little Ceasar overbodig?’ Nee, zondermeer niet. Deze single ended reuzen en reusje zijn zeker nóg beter in staat om de ambiance te vangen, met een nog grotere detailrijkdom en vloeiender karakter. Iets wat zo typerend is voor een mooie single ended versterker en ik nog nooit in die mate bij een push pull ontwerp ben tegengekomen. Maar het gemak waar een mooie push pull versterker met dynamieksprongen, klappen en uithalen omgaat, heeft ook veel charmes. Dat een push pull buizenbak niet subtiel kan zijn, wordt door Bill en zeker ook de oude KT88 versterkers dubbel en dwars tegengesproken. Het is een kwestie van afwegingen maken. De mooiste single ended versteker aan een niet of matig matchend luidsprekersysteem is zondermeer de mindere van een push pull versterker.

Ik krijg regelmatig de vraag: ‘Waar staat die of die versterker nu in het rijtje van je?’
Ok, ik doe een poging… Ik schat Bill sowieso boven iedere torrenbak die ik zelf heb beluisterd. Bill vind ik duidelijk beter dan mijn vorige push pull amps. Ik zou met deze versterker uitstekend oud kunnen worden. Billie is niet slechts een versterker voor de man die vooral veel watten wil, maar ook voor de man die graag naar subtiele muziek luistert. Het is een versterker die geen aandacht op zichzelf aan trekt, maar gewoon muziek geeft. Brom en ruis zijn hem vreemd.


We gaan snel weer verder in deel 4...

Bill deel 1 Beschrijving (inleiding)
Bill deel 2 Beschrijving
Bill deel 3 Beschrijving (vervolg)
bill deel 4 Beschrijving (vervolg)
Bill deel 5 Foto's van de bouw (deel 1)
Bill deel 6 Foto's van de bouw (deel 2)
Bill deel 7 Foto's van de bouw (deel 3)
Bill deel 8 Foto's van de bouw (deel 4)
Bill deel 9 Foto's van de bouw (deel 5)
Bill deel 10 Bill als geintegreerde versterker
Schema 1 Versterker schakeling
Schema 2 Voedingschakeling
Metingen Metingen aan de versterker
   
Links: Waar kocht ik de onderdelen voor Bill...
www.ae-europe.nl De maker van de trafoset en leverancier van buizen, behuizing, condensatoren etc.
www.conrad.nl Schakelaars, cinchdelen, netdelen enz
Marco's buizenhoek Voor betaalbare N.O.S USA 12SN7 buizen
Duncan's amp pages Mooie software voor buizenliefhebbers..
Bill English (PDF file)
   
Home Terug naar de Triode Dick homepage...