Triode Dick's Page
Big C
De grote broer van Ceasar
deel 3
Update:4-10-2001
De driver...
De
voortrap is zoals ik al vertelde, de onvolprezen mu-stage. Een principe
bedacht dor door Alan Kimmel. En werkelijk op alle mogelijke wensen instelbaar.
Het haalt het beste uit mijn oude 227 buisjes. Die hoeven zo weinig tot
geen arbeidsintensieve dingen te doen en kunnen al hun kwaliteiten vrij
ventileren. Wat misschien opvalt is de behoorlijk hogere anodespanning op
de 27. Dit bleek een voorwaarde om de grote spanningzwaai te kunnen maken
met een erg lage vervorming. 60 Volt sinus uit geeft nog maar 0.1 procent
even harmonische vervorming. Er is veel headroom in de driver aanwezig.
De eindbuis bepaald de grens. En zo hoort het ook. De driver moet méér dan
genoeg kunnen geven. Het slechts mogelijk scenario is een driver die gelijktijdig
met de eindbuis in verzadiging gaat. Dan krijg je een hele bak smerige harmonischen
op je luidspreker. Een versterker met een op het eerste gezicht overpotige
driver geeft je versterker het idee dat er veel meer vermogen in zit dan
in werkelijkheid het geval is. Dat komt mede door het uitblijven van een
harde clip als er te ver wordt uitgestuurd. Bij een torrenbak hoor je dan
direct een alles of niks vervorming. Een goeie single ended buizenbak geeft
naar zijn bovengrens eerst het idee van wat compressieverschijnselen. Pas
na nog verder doordrukken bemerk je verdere aanloopverschijnselen. Ook van
je oren….
De eindtrap...
Na het bekijken van de
data van de KR eindpit heb ik de uitgangstrafo op een RA van 2K5 bepaald.
In de praktijk werd dit 2K4. Secundair 4 en 8 Ohm. Ik weet wel dat één aftakking
misschien het allermooist zal zijn, maar ik wil deze versterker ook op andere
plaatsen en met andere luidsprekers kunnen beluisteren. Deze "concessie"
heb ik dus wel gedaan. Deze eindbuis heeft een lagere Ri (inwendige weerstand)
dan een standaard 300B, 600 tegen 700 Ohm. Volgens KR mag je de buis nog
lager belasten, met 2K aan de anode. Maar dat gaat altijd ten koste van
hogere vervormingen. Dat vind ik nu een echte concessie om wat meer vermogen
te krijgen. Ik heb de gulden middenweg hier bewandeld. Wat in de metingen
zichtbaar werd. Het harmonisch spectrum is erg fraai. Nooit treden de oneven
harmonischen boven de even. De balans is prachtig. De versterker zal nooit
een scherp puntig karakter krijgen. Bij wat voor luidheid ook. De kleine
spanningsval over de primaire wikkeling van de UGT is het gevolg van de
dikkere wikkeldraad die is gebruikt. De Ohmse weerstand is mooi laag. De
hogere anodestroom maakt zulke maatregelen noodzakelijk. Het is jammer dat
er te veel onnodige energie in de wikkelingen De eindbuis heb ik op meerdere
anodestroom instellingen beluisterd. En gemeten. De grote winst bij de KR300BXLS
eindbuis zit hem duidelijk in de eerste grote stap naar 120 mA. Daarboven
worden de verschillen geringer. Wel werden bij 145 mA (600 Ohm aan de kathode)
en een anodedissipatie van tegen de 60 Watt rode spots zichtbaar op de anode.
Ik doe die test altijd even in het donker. Rode vlekken zijn dan direct
zichtbaar. Zijn die er, dan is dat niet goed. De stroom dus wat terug geregeld.
Tegen de 130 mA bleef alles groen en klonk het geweldig mooi. Krachtig,
transparant, absoluut geen hardheid. Dit is het geworden. Een
kathode weerstand van 700 Ohm/50 Watt zorgt voor de goede instelling. 15
Watt uit is op zijn slofjes te halen. Met nog een flinke reserve naar boven
toe. In het A2 gebied (het gebied waar een buis positief wordt aangestuurd).
De ontkoppeling...
In de eerste maand heb ik een pio condensator gebruikt om de kathode van de eindbuis te ontkoppelen. Maar na verloop van tijd begon ik de weergave steeds softer te vinden. De UGT is als 'ie nog nieuw is een beetje puntig in klank. Na een paar dagen verandert dat al en begint alles in het juiste perspectief te komen. Maar echt ingespeeld is de UGT echt pas na een pakweg 200 uur draaien. Uiteraard niet absoluut aanhouden. Maar de UGT veranderd van die wat spitse naar een mooie gebalanceerde weergave. Daar hebben andere UGT's ook "last" van. Ik herinner me de eerste set Tango's die ik op een versterker plaatste. Het klonk als een natte dweil. Het zweet brak mij uit. De dagen erna begon het gordijn dunner en dunner te worden. Precies andersom als bij de amorfe UGT's dus. In de twee weken erna is de trafo opgebloeid van dweil naar mooie open weergavekwaliteit. Geeft ze de tijd. Een nieuwe versterker gaat bij mij de eerste weken in continudienst. Rond de klok dus. Ik ben ook wel eens geschrokken na uitwisselen van Beyslag weerstanden tegen Allan Bradley weerstanden. Een dikke najaarsmist hing over de muziek. Binnen een uur begon het al op te klaren en na twee dagen was de zon doorgebroken. Met het smeuïger worden van de UGT vooral, denk ik dat het ontkoppelen met een pio c de zaak toch te sompig maakte. Mijn normaal op dat punt gebruikte Black Gate (100uF/100Volt) moest toen in actie komen. Pio eruit, BeeGee erin. Bingo! En het mooiste van het geval, ik heb nu bijna dezelfde opzet als de Ceasar. Een vergelijking is nu ook mooier te maken. Ook nog even de pio kathode c in de Ceasar gezet, en ja hoor… die raakte zijn "bite" ook kwijt. Als ontkoppeling voor de kathode vind ik steeds de Black Gate condensatoren enorm op hun plaats. Bijna iedere andere elco brengt een zekere verdunning en hardheid in het geluid. Black Gate's niet. Voor de weerstanden gebruikte ik weer mijn eigen "evergreen": Allan Bradley. Die zijn zo mooi neutraal zonder wat voor narigheid ook. Maar, daar is hij weer: geef ze de tijd.
De koppeling...
Ik
gebruik zelf graag een combi van Infinicap en Ultratone. Maar een goed ingespeelde
Vitamin Q is ook niet te versmaden. Daar ben ik een beetje aan mee aan het
wisselen geweest. En ik moet eerlijk zeggen, het is me lood om oud ijzer
of de Ultratone of de VQ wordt gebruikt. De Infinicap gaat naar de eindbuis
en bevalt zo goed, die blijft. Pas heb ik nog een mooie condensator ontdekt.
Auricap. Ik ben twee paartjes aan het uitproberen, op verschillende plaatsen
in de audioketen. In de eindversterker en in de phonotrap. Opvallend mooie
condensator... Een grote "fout" kun je hier maken door maar klakkeloos de
"beste" condensators er in te drukken. Doe op beide plekken een Jensen,
en uiteraard ook nog in de voorversterker, en je krijgt een sound zo slap
als te lang gekookte pasta. Ja, van mij mag je dat lekker vinden, maar ik
wil mijn geluid toch meer "a dente". Een slechte zaak is dat de Ultratone
c's alweer uit productie zijn.
Geef je versterker de mooiste stem...
Single ended sound hoeft geen luie slappe hap te zijn. Versterkers die wel
zo klinken worden vaak afgedaan als: "ja, maar het is ook een 300B
bak". Die hebben "altijd" een donkerbruin geluid. Absolute onzin. Je
luistert dan naar de smaak of naar de tekortkomingen van de ontwerper/bouwer.
Die de verkeerde "allerbeste" componenten bij elkaar op een hoop
heeft gesoldeerd. Nee, als je versterker af is...., is het nog niet af dus.
Dan begint het slijpen, het tweaken, het tunen. Engelsen hebben daar een
mooi woord voor: "voicing". Je geeft je versterker zijn stemgeluid. Ervaren
bouwers weten op voorhand vaak al wel wat fijn bij elkaar past, en wat niet.
Voorbeeld: Een voeding met Solen condensatoren, Holco metaalfilmweerstanden
en Hovland koppel c's zullen je versterker een te dun puntig en kil karakter
geven. Terwijl de componenten op zich helemaal niet slecht zijn. Als je
op de ene plek een component met een presente klank gebruikt, zul je ergens
anders in de lijn dat moeten compenseren met een wat meer ingetogen karakter.
Lijkt simpel, is het ook, als je het maar weet…
Maar laat je niet beïnvloeden door mij, als je zelf een donkerbruin moerasgeluid
het allermooiste vindt. Vertel dan alleen niet verder dat het een ontwerp
van mij is dat je hebt nagebouwd.
Ik zoek naar een relaxte maar wel gedetailleerde klank. Een mooie klankbalans
vind ik zeer belangrijk. Ik wil uren achtereen kunnen luisteren zonder wat
te missen.
De milliampèremeters lijken een beetje overdreven. Maar dat vind ik niet.
Ik vind het waardevolle indicatoren of alles ok is met de eindbuizen. Eén
blik zegt genoeg. Ik heb er al meerdere keren een vervelende eindbuis op
tijd kunnen traceren zonder dat versterker steeds op zijn rug hoeft. Als
je zoals ik veel werk met verschillende eindpitten is het een berehandig
hulpmiddel.
De bedrading is op de
plekken waar veiligheid geboden is verzilverd koper met een teflon mantel.
Op de rest het onvolprezen zilver met teflontube.
Never change a winning team…
Epiloog:
Ik vind zelf dat dit de mooiste buizenbak is die ik tot nu toe bouwde. Het vele werk is het meer dan waard geweest. De Ceasar is in het geheel gezien de gelijke in kwaliteit, maar in de finesses wint de Big C het. En het behoorlijk toegenomen vermogen ten opzichte van normale 300B versterkers geeft de mogelijkheid om een groter aantal luidsprekers toe te passen zonder belemmering. En Big C is ook nog eens een kleine reus die op een laag luisterniveau alle details in de muziek tot zijn recht doet komen. Het hoeft niet hard, maar hij kan het wel.
| Big C: deel 1 | Beschrijving |
| Big C: deel 2 | Beschrijving (vervolg) |
| Big C: deel 3 | Beschrijving (vervolg ) Deze pagina |
| Big C: deel 4 | Foto's van de bouw |
| Big C: deel 5 | Foto's van de bouw (vervolg) |
| Schema 1: | Versterker schakeling |
| Schema 2: | Voedingschakeling |
| Metingen: | Metingen aan de versterker |