Triode
Dick's Page Beam me back Scottie… Het was eind november 2000 toen het idee voor deze versterker in mijn buizenleven sloop. Sloop? Ja, want ik was helemaal niet van plan om een 211 single ended versterker te bouwen. Ik was destijds helemaal in mijn nopjes met de Big C en Ceasar versterkers. Maar zoals het wel vaker voorkomt, soms lijkt iets niet tegen te houden… het lijkt wel of het één of ander was voorbestemd. Zoiets van: ‘Dick jongen, je moet nu toch eens je 211 bak gaan maken en nu is de tijd gekomen om er eens mee te beginnen…’ Het begon op de markt van de historische radio vereniging in Doorn, de laatste van dat jaar. Ik liep langs een kraam met wat oude spullen en zag daar twee mooie Johnson jumbo buishouders liggen, geschikt voor bijvoorbeeld een 845 en… inderdaad, de 211. Die oude Johnson’s zijn van zo’n mooie kwaliteit. Ik mag ook ze ook graag gebruiken in de Ook UX4 vorm, voor de 300B-achtigen. Maar na wat kijken en betasten legde ze terug en liep verder. Aan plankliggers had ik eigenlijk geen behoefte meer, ik had al ‘rommel’ genoeg. Vlak voor ik naar huis ging liep ik weer langs de bewuste stand. De jumbohouders lagen er opmerkelijk genoeg nog steeds en vroeg toch eens wat de eigenaar er voor wilde hebben. Dat was zo sympathiek dat ik het niet meer kon weerstaan en voor een tientje (guldens nog…anders zou het ongetwijfeld 10 euro zijn geweest…) de buishouders in mijn tas deed. ‘Ach, altijd mooie ruilhandel, dacht ik… Lets dance … Een week later, ik surf
wat over marktplaats punt nl. Hé, een paar Tango X10 uitgangstrafo’s.
Alleen die vraagprijs, die was wel heftig (niet te duur, wel veel geld).
De advertentie was net geplaatst. Even een beetje aan de boom schudden
en een bod geplaatst dat de helft van de vraagprijs was. Een uur later
had ik al een mailtje van de Tango bezitter. Voor niet veel boven mijn
bod mocht ik ze komen halen. Há, dat was andere koek en ineens
waren de X10’s uitgesproken voordelig. Een eenmalige kans leek me.
Met de zelfbouwer van hierboven is het overigens weer goedgekomen, gelukkig. Ik kreeg niet langgeleden nog mail van hem dat hij weer aan de slag gaat met een buizenbak. Het begint wat te worden... Op zoek naar de andere componenten dus. Eerst was er min of meer wat haast geboden omdat mijn broer, die mijn koperen chassis destijds meestal verzorgde, van baan ging veranderen, wat een eind zou maken aan zijn dankbare werk voor mijn versterkers. Dat voor deze 211 reuzen degelijke chassis nodig waren, was alleen al door het gewicht van de trafo’s duidelijk. Het zouden monoblokken worden met een chassisplaat van 3 mm koper. Omdat de omvang van de onderdelen een versterker in het voor mij normale formaat onmogelijk maakte moesten er wat listen bedacht worden om ruimte te winnen. Als de kasten te groot zouden worden voor mijn toch royale audiorek zou ik er niks aan hebben. Ik kon veel ruimte winnen door de aansluitterminals naar de bovenkant te verhuizen. De kast kon daardoor een stuk dieper worden. De netkabel kreeg een haaks stekkerdeel. Ook probleemloos bruikbaar bij mijn andere eindversterkers. En in de breedte was nog wat ruimte. Verder werd er ruimte gewonnen in een hogere behuizing. Zo alles kon nu een nette plek krijgen. De papier in olie condensatoren in de voeding nemen veel ruimte in, maar door de hoge kast was er geen probleem om ze kwijt te raken. De voedingstrafo is een lummel. Dat komt deels door de speciale wikkelmethode waarmee een lage capaciteit tussen de primaire en secundaire wikkellagen werd verkregen, om een zo schoon mogelijke spanning over te houden voor die de versterker in gaat. Er zijn meerdere statische schermen gebruikt tussen de wikkelingen. Wat er niet door komt aan rommel geeft ook geen last. Een trillende en brommende voedingstrafo is eveneens een bron van ergernis, daarom is de trafo met een lage inductie gewikkeld. Het nadeel? Ze zijn loeizwaar. Maar ja, het wordt toch al een lompe herniastimulerende versterker. Een kilootje meer of minder doet er dan niet meer toe. Verder waren er nog
een viertal 15 Henry bandkernsmoorspoelen, twee voor elk kanaal, met een
mooie lage ohmse weerstand voor de eindbuisvoeding. De voortrap kreeg
een zeskamer smoorspoel. De olie c’s voor de voeding waren inmiddels
ook geregeld. Dat is door de hoge spanning een wat moeilijker component.
Niet overal te koop. Er zijn genoeg hoogspannings condensatoren, gebruikt
door onder meer de zendjongens, maar de meeste zijn zo woest groot, dat
het voor mij niet bruikbaar is. Kijk vooral rond op markten voor elektronica
en dumphandels. Een alternatief is bijvoorbeeld ASC MKP in olie condensatoren.
Zet er twee van 30 uF in serie met over beide c’s een weerstand
van 470K/2Watt. Andere mooie c’s zijn er bijvoorbeeld van Icar en
Epcos (voorheen Siemens). Hedendaagse productie. En natuurlijk de Black
Gate WKZ, die later nog een rol gaat spelen.
|