Triode Dick's Page
Goliath

Single ended 211 versterker

Deel 4
Update:14-3-2004

Overige componenten…

De weerstanden in deze versterker bestaan hoofdzakelijk uit carbon types. Alan Bradly’s bijvoorbeeld. De meeste heb ik in de loop van de tijd bij elkaar verzameld. Maar als ik deze versterker vandaag zou bouwen, gebruikte ik zonder meer de nieuwe productie carbon’s die ik ook in de Attilla en Cleo V heb ingezet. Een echte ontdekking, en een echt audiofiel verantwoorde weerstand voor een normale prijs, die in niets in kwaliteiten onderdoet voor de bekende ‘VIR’ weerstanden (Very Important Resistor).

Voor de koppel condensatoren ben ik begonnen met een Auricap en een Vitamin Q. In het begin was het geluid nog wat brutaal, normaal in een nieuwe versterker, met allemaal nieuw spul er in. Na een week begon het uit te gloeien en werd het geluid milder. Nog wat later zelfs wat te veel van het goede. Ik heb toen de Vitamin Q vervangen door een tweede Auricap, van 1uF. Deze condensator koppelt de driver aan de eindbuis. Dan valt alles goed op zijn plek. Tot nu toe bevalt me dat zo goed dat ik er niks verder meer aan gedaan heb.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan…

Ik sprak Wil Blaauw van AE, de trafofabrikant, toen de versterker al enige tijd speelde en was uiteraard enthousiast aan het vertellen over deze Goliath versterker.
‘Ja’, zei hij, ’alleen die uitgangstrafo’s…’.
‘Wat is daarmee?’, zei ik, ‘zijn zo’n beetje de mooiste die er zijn voor een 211 versterker’.
‘Ik maak je een paar amorfes, met secudaire zilverwikkelingen’, die het nog beter doet dan die Tango’s…’.

Het duurde iets meer dan een week voor ze werden afgeleverd. De beste man liet er overduidelijk geen gras over groeien. Ik ben er dezelfde week maar mee aan de slag gegaan, hoewel daar geluidstechnisch geen aanleiding voor was. Ik heb het zo gemaakt dat exact de bevestiging van de Tango UGT gebruikt kon worden, zonder extra gaten te hoeven zagen of boren. De Tango’s konden zo terug. Om niet te lang van draad te worden, de AE amorfe UGT’s zijn er niet meer afgegaan. Ze zijn niet alleen nog wat fraaier, in mijn oren, maar steken zelfs technisch de Tango X10 naar de kroon. Ze zijn nog breedbandiger dan de juist op dit vlak geprezen Japanner. Dat laatste had ik zelf niet verwacht.

Wat? Nog meer?...

De volgende stap was nogal rigoureus, alle smoorspoelen werden vervangen door amorfe kern types. Een onbehoorlijk grote investering, geef ik toe. Maar na ombouw was er geen twijfel, de amorfe chokes doen het domweg mooier.

Even weer voor de goede orde, we praten niet over, ‘compleet weggespeeld, ‘ op straatlengtes’, of ‘tegen de muur spelen’, maar zonder 100x vergrotend taalgebruik. Ik houd het in normale proporties.Mijn conclusie: wil je een echt goede choke, gebruik de standaard bandkern. En ook aan een goed gewikkelde choke met een EI kern is niet veel verkeerd, maar wil je een smoorspoel in de overtreffende trap (let op de deksel!), denk aan de amorfe types. Het kost een ‘paar’ euro’s extra, maar ik vind ze in deze versterker goed besteed. Als je ziet wat er soms voor andere ‘upgrades’ wordt uitgegeven, dan is dit een realistische uitgave in een versterker als de Goliath, waarvoor je toch al veel geld kwijt bent.

Terug naar de toekomst...

De meest recente verandering is geïnspireerd op ervaringen die met de Attilla is opgedaan. Das best grappig. Attilla heeft veel gehad aan de ervaring die ik in eerste instantie met de Goliath opdeed, zoals de amorfe chokes, en nu is het visa versa. De voeding kreeg een nabehandeling. In de driver werd de capaciteit achter de choke, tot dan een relatief kleine olie c van 15 uF, vervangen door een dubbele parallel geschakelde 47/47 uF Black Gate WKZ, een condensator van wiens muzikale kwaliteiten ik behoorlijk onder de indruk ben. De voeding wordt superstrak en is uiterst stil. In de eindtrap kreeg de laatste c ook een verdubbeling in capaciteit. Door de vrij gekomen ruimte in de driver voeding was dat mooi in te bouwen, wat een mooier oplopende capaciteit in de voeding opleverd. Deze veranderingen zijn echt wat je noemt ‘upgrades’. Black Gate WKZ in de eindtrap? Waarschijnlijk zou dat nog meer winst kunnen geven. Zal wél serieschakelen betekenen, wat een kostbare aangelegenheid wordt, maar ik zeg nooit nooit…haha…

Het blijkt wel weer dat weliswaar fijne, maar toch relatief niet zo heel grote verbeteringen handen vol euro’s kosten in onze hobby als je al op een bepaald niveau zit met de apparatuur…

Verschillende eindbuizen…

Ik heb zelf RCA, United en GE 211’s. De eerste twee zijn zeldzamer dan de General Electric’s, die veel langer is geproduceerd. De United is zelfs erg schaars en daardoor ongehoord prijzig. Het paartje komt uit de oorlogsjaren ‘40 – ‘45. Naast deze USA buizen heb ik ook de recente Chinese productie aan de tand gevoeld, die nu nog wordt geproduceerd, en voor zeer redelijk geld te koop is. Ik kan vertellen dat die buis me méér dan meeviel. De buis ziet er goed uit en heeft veel van het karakter weten te behouden van de oude Amerikanen. De uiterste grens in emissie is wat eerder bereikt dan bij de USA buizen, wat een klein beetje vermogen inlevert, maar de Chinees geeft een geluidskwaliteit waar het leeuwendeel van 300B’s zich op stukbijten, en dat voor pakweg 50 euro per stuk.

De United 211 is mijn favoriet, op een neuslengte gevolgd door de RCA’s. De GE is een fractie minder subtiel in weergave, maar ook zondermeer een prijsschutter. Ik heb een hele rij 300B triodes, en ze klinken allemaal anders ten opzichte van elkaar. Niet één lijkt op de andere. Wat opvalt is dat die grote spreiding in geluidkarakter niet bij de 211 buizen te vinden is. Of het aan de thoriated Tungsten gloeidraad/kathode ligt? Aan de grafiet anodeplaat? De opbouw? Wat een prachtbuis die 211…

Nog wat over de gelijkrichtbuizen…

De gebruikte EY500A blijkt veel minder talrijk dan zijn PY500A broer. Op de gloeispanning na zijn de buizen identiek. De PY uitvoering heeft 42 volt nodig om te gloeien, een vreemde waarde die je niet veel ziet. Het heeft ook voordelen: de gloeistroom is maar 300mA. Op de voedingtrafo’s zit de mogelijkheid voor zowel het gebruik van de EY500A, als de PY500A. Bij het gebruik van de laatste worden de gloeiaansluitingen parallel aan elkaar aangesloten op de taps van de voedingtrafo. Bij de EY500A komen de buizen twee aan twee op 6,3 volt taps, om de stroom niet onnodig hoog te laten worden. Er zijn ook buizen zonder ‘A’ achter de cijfers. Die zijn gewoon te gebruiken, maar er moet wel een extra weerstand aangebracht worden. Dat vind je in de datasheets van de bewuste buis.

Ik gebruik zelf AZ1 mesh buisjes in de voortrap. De gewone kan natuurlijk ook ingeprikt worden. Zie je ergens RGN1064, of AZ11? Identieke buisjes, op de buisvoet na. Maak je keus wel voor je een gat voor de buishouder in het chassis maakt.

Goliath deel 1: Inleiding...
Goliath deel 2: We gaan verder met de reus...
Goliath deel 3: Verdere details...
Goliath deel 4: Nog meer...
Goliath deel 5: Foto's van de opbouw...
   
Schema versterker... Het schema van het versterkerdeel
Schema voeding... Het schema van het voedingdeel
   
www.ae-europe.nl Wat is de Goliath zonder trafo´s en 211 buizen?...
www.acoustic-dimension.com Voor Black Gate condensators...
Explorer Een nog ouderwets prettige elektronicawinkel...
http://www.conrad.nl Heel veel elektronica en andere componenten...